
Door Willem Lammerink
Dit Artikel verscheen eerder in La Cadena nummer 109
De term 'een echte klassieker' wordt bij de beschrijving van een muziekstuk snel en vaak ten onrechte gebruikt. Een nummer dat al meer dan honderd jaar populair is en tevens een belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de tango als muziekstijl, is wél een echte klassieker. Het is een terechte omschrijving voor El Choclo van Ángel Gregorio Villoldo.
Villoldo mag de aartsvader van de tango heten. Hij was componist en tekstschrijver en ook muzikant, hij speelde piano, gitaar en mondharmonica, daarnaast was hij ook nog zanger en danser. Er is dus geen facet van de tango waar hij zich niet mee bezig heeft gehouden. Villoldo schreef El Choclo in 1903 als instrumentaal stuk. Het werd voor de eerste keer uitgevoerd door het orkest van pianist José Luis Roncallo in het restaurant 'El Americano'. De eigenaren van het restaurant waren geen liefhebbers van tango, dus om het toch te kunnen spelen werd het stuk aangekondigd als een creoolse dans, een 'danza criolla'.
In het allerprilste begin van de tango was de zogeheten 'tango-erótico' volkomen geaccepteerd. Instrumentale stukken droegen dubbelzinnige of gewoon obscene titels, de gezongen tango's behandelden tot in intieme details het vrouwelijk lichaam of de liefdesdaad. In eerste instantie was alleen de titel van El Choclo (De maïskolf) enigszins dubbelzinnig. Iedere lezer mag zijn of haar eigen fantasie loslaten op de onzedige verwijzingen, maar in een stad als Buenos Aires ging het nummer in ieder geval niet over landbouw.
Al heel snel, in ieder geval in 1904, werd door een onbekend gebleven dichter een behoorlijk pikante tekst bij El Choclo geschreven. Deze tekst sloeg meteen aan bij het tangopubliek, maar kon alleen in de 'pensiones' (wij zouden zeggen: bordelen) ten gehore worden gebracht. Door de toenemende populariteit van de tango werd men huiverig voor het aanstootgevende karakter van bepaalde muziek. Om hun reputatie niet te schaden wilden drukkerijen de obscene teksten niet drukken en uitgeven, zangers vonden het niet meer kies om de expliciete sexuele details te bezingen en zaaleigenaren wilden niet dat de muziek ten gehore werd gebracht om het nieuwe en rijkere publiek niet te shockeren. Er vond dus een zelfcensuur plaats met soms hilarische gevolgen. Een instrumentaal nummer kreeg simpelweg een andere titel en alle aanstoot was verdwenen, maar bij de gezongen tango's moesten hele stukken tekst worden herschreven.
Soms was men hiervoor gewoon te lui. Rond 1900 was zangeres Lola Candales niet alleen beroemd vanwege haar stem maar ook vanwege haar buitengewone schoonheid. Manuel Campoamor schreef een vrij indiscrete hommage aan haar met als titel La concha de la Lola (Het schelpje van Lola). Deze titel werd opeens onacceptabel maar blijkbaar had niemand zin om iets nieuws te bedenken. Om het nummer overal te kunnen blijven spelen, werd het hertiteld tot La c
de la L
una.
De titel El Choclo was kennelijk niet dubbelzinnig genoeg om te wijzigen maar de eerste tekst viel wel ten prooi aan de censuur. Ze is nooit in een oplage gedrukt en uitgegeven, werd niet meer gezongen en is tenslotte vergeten.
De muziek van El Choclo bleef echter populair en het nummer werd veel uitgevoerd en opgenomen. Naast vele anderen had ook bijvoorbeeld Eduardo Arolas in 1913 zijn eigen interpretatie. Om niet geheel duidelijke redenen nam Villoldo zijn compositie zelf in 1910 op onder de titel Por Ño Evarsta. Mogelijk, maar het is een speculatie, had deze alternatieve titel te maken met de rechten op de originele naam, die een tijd in handen waren van een muziekuitgeverij in New York.
El Choclo was ook een van de eerste tango's die buiten Buenos Aires populair werd. In 1908 werd het door Villoldo opgevoerd in Parijs en een jaar later werd een opname van een Spaans militair orkest uitgebracht in Duitsland. Zo werd El Choclo ver vóór La Cumparsita beroemd werd, het nummer dat een heel genre definieerde.
In 1930 vroeg de zus van Villoldo (Villoldo was in 1919 overleden) aan dichter Juan Carlos Marambio om opnieuw een tekst bij El Choclo te schrijven, waarschijnlijk om een stroom nieuwe opnames op gang te brengen en op die manier rijker te worden van de rechten op de muziek. De tekst, die begint met de woorden "Vieja milonga que en mis horas de tristenza" sloeg niet aan en werd zelden uitgevoerd maar is wel van belang geweest. Op basis van de woorden van Marambio schreef Enrique Discépolo in 1947 zijn tekst voor El Choclo en die wordt nog steeds gezongen.
In de loop der jaren is El Choclo door vrijwel ieder orkest opgenomen. Samen met La Cumparsita behoort het tot de meest gespeelde tango's ooit. Zelfs Amerikaanse legende Nat 'King' Cole nam het op en Louis Armstrong gebruikte het nummer in 1952 als basis voor zijn wereldhit Kiss of fire. En zo is El Choclo met recht een echte tangoklassieker.
Luister naar een zingende Villoldo zelf, die zichzelf begeleid op gitaar